eco.py
Created by
513792
Created on
April 07, 2026
14.1 KB
( Abstracte ) markt :
Het geheel van vraag naar en aanbod van een bepaald product .
De vraagkant
Factoren die invloed hebben op de gevraagde hoeveelheid van een product :
- Prijs
- Inkomen van consumenten
- Prijs van substitutiegoederen en complementaire goederen
- Behoefte van consumenten
- Bevolkingsomvang
Substitutiegoederen :
Goederen die eenvoudig te vervangen zijn door vergelijkbare goederen .
Complementaire goederen :
Goederen die elkaar aanvullen of niet zonder elkaar gebruikt kunnen worden .
Waarom loopt de vraaglijn omlaag ?
Afkomstig van het negatieve verband tussen de prijs ( P ) en de gevraagde hoeveelheid ( Q ):
-> Hoe hoger de prijs , hoe lager de gevraagde hoeveelheid
-> Hoe lager de prijs , hoe hoger de gevraagde hoeveelheid
Individueel naar collectieve vraaglijn
Een ( collectieve ) vraaglijn geeft het verband weer tussen de prijs van een product en alle vraag naar dat product .
-> Individueel gaat over e ́ e ́ n persoon
Bij de ( collectieve ) vraaglijn geldt ceteris paribus voorwaarde :
-> Alle andere factoren die van invloed zijn op de vraag naar het product zoals het inkomen , de prijs van andere producten , de voorkeur , etc . niet veranderen .
De collectieve vraaglijn is samen te stellen uit meerdere individuele vraaglijnen door bij elke prijs de individuele hoeveelheden op te tellen ( horizontaal optellen ).
-> Let hierbij op de knik ( definitiegebied )
Verschuiving langs of van de vraaglijn
Wanneer de prijs of de gevraagde hoeveelheid verandert ( staat op de as ! ) krijg je een verschuiving langs de lijn .
-> Je krijgt dus enkel een ander punt op de lijn
Wanneer iets verandert wat niet op de as staat ( bijv . inkomen , voorkeuren etc .) krijg je een verschuiving van de lijn .
- Stijgt de vraag gaat de lijn naar rechts
- Daalt de vraag gaat de lijn naar links
Waarom loopt de aanbodlijn omhoog ?
Afkomstig van het positieve verband tussen de prijs ( P ) en de aangeboden hoeveelheid ( Q ):
-> Hoe hoger de prijs , hoe hoger de aangeboden hoeveelheid
-> Hoe lager de prijs , hoe lager de aangeboden hoeveelheid
Verschuiving langs de aanbodlijn
Wanneer de prijs of de aangeboden hoeveelheid verandert ( staat op de as ! ) krijg je een verschuiving langs de lijn .
-> Je krijgt dus enkel een ander punt op de lijn
Verschuiving van de aanbodlijn
Wanneer iets verandert wat niet op de as staat ( bijv . de kosten ) krijg je een verschuiving van de lijn .
- Stijgt het aanbod gaat de lijn naar rechts
- Daalt het aanbod gaat de lijn naar links
De markt in evenwicht
Als je de vraaglijn en aanbodlijn laat samenkomen in e ́ e ́ n model , dan krijg je een marktmodel .
Op het snijpunt van de vraag - en aanbodlijn is de markt in evenwicht .
Marktevenwicht :
Evenwicht dat tot stand komt op een markt door het mechanisme van vraag en aanbod .
Elasticiteit ( van de vraag )
Wanneer een prijsverandering leidt tot een verandering in de gevraagde hoeveelheid die relatief sterker is dan de prijsverandering , dan is de vraag naar dat product elastisch .
-> Bijvoorbeeld : de prijs stijgt met 2 % , maar de vraag daalt met 4 %
Wanneer bij een prijsverandering de gevraagde hoeveelheid relatief minder sterk verandert dan de prijs , is de vraag naar dat product inelastisch .
-> Bijvoorbeeld : de prijs stijgt met 2 % , maar de vraag daalt met 0 , 5 %
Prijselasticiteit van de vraag
Er is ( meestal ) een negatief verband tussen de prijs ( P ) en de vraag ( Qv ) naar een product : Stijgt de prijs ( P ), dan daalt de vraag ( Qv )
Hoe sterk dit verband is kun je uitrekenen met de prijselasticiteit .
prijselasticiteit : verandering van de gevraagde hoeveelheid gedeeld door de verandering van van de prijs
Een procentuele verandering reken je uit met : ( nieuw - oud ) / oud x 100 %
0 : volkomen inelastisch
tussen 0 en - 1 : relatief inelastisch
minder dan - 1 : relatief elastisch
Elasticiteit gecombineerd met indexcijfers
De prijselasticiteit van de vraag kan gebruikt worden om te bepalen hoeveel % de prijs moeten veranderen om een bepaalde omzetstijging te krijgen .
Voor de omzet gebruiken we de formule uit rekonomie
Bij omzet wordt ook vaak gebruik gemaakt van indexcijfers . Dan wordt de formule :
-> Indexcijfer omzet = indexcijfer afzet x indexcijfer prijs / 100
Prijselasticiteit en de omzet
1. Volkomen inelastische vraag :
De producent kan dus bij een prijsverhoging rekenen op een forse omzetstijging ( prijs ↑ × afzet = ⇒ omzet ↑ ).
2. Inelastische vraag
De producent kan dus bij een prijsverhoging rekenen op een omzetstijging ( prijs ↑↑ × afzet ↓ ⇒ omzet ↑ ).
3. Elastische vraag
De producent moet dus bij een prijsverhoging rekenen op een omzetdaling ( prijs ↑ × afzet ↓↓ ⇒ omzet ↓ ).
Volkomen inelastische vraag
Bij een volkomen inelastische vraag reageert de vraag niet op een verandering van de prijs .
Consumenten blijven ook na een prijsverhoging net zoveel kopen als voorheen .
Hoe elastischer de vraag , hoe minder vlak de lijn gaat lopen
Kruiselingse prijselasticiteit
Bij de kruiselingse prijselasticiteit gaat het om de mate waarin de vraag naar een product reageert op een prijsverandering van een ander product .
Een procentuele verandering reken je uit met :
( nieuw - oud ) / oud x 100 %
formule : Ek = % verandering product 1 / % verandering product 2
Hoger dan 0 : substituti egoederen
Minder dan 0 : complementaire goederen
goederen hebben geen onderling verband
Inkomenselasticiteit
Net zoals bij de prijselasticiteit van de vraag , kun je ook het effect van een inkomensverandering op de vraag meten met behulp van een elasticiteit .
Er is ( meestal ) een positief verband tussen het inkomen ( I ) en de vraag ( Qv ) naar een product : stijgt het inkomen ( I ), dan stijgt de vraag ( Qv ).
formule : verandering van de gevraagde hoeveelheid / verandering van het inkomen
minder dan 0 : inferieure goederen
0 tot 1 : normale goederen
hoger dan 1 : luxe goederen
Let op : de inkomenselasticiteit kan dus zowel positief als negatief zijn !
Normale goederen : brood
Luxe goederen : reizen buitenland
Inferieure goederen : vakantie eigen land
Verzadigingsinkomen en drempelinkomen
Een drempelinkomen geeft aan dat het inkomen eerst een bepaalde hoogte moet hebben , voordat mensen het product ( kunnen ) gaan kopen .
Verzadigingsinkomen geeft aan dat vanaf een bepaald inkomen een inkomensstijging niet leidt tot een toename van de gevraagde hoeveelheid
Totale kosten
Een ondernemer zal een product op de markt willen brengen als : kosten < opbrengsten . In dat geval maakt hij winst .
Constante kosten :
Kosten die niet veranderen als je meer of minder gaat produceren .
Variabele kosten :
Kosten die wel veranderen als je meer of minder gaat produceren .
Afschrijving kapitaalgoederen
Van afschrijven met een vast bedrag is sprake , wanneer jaarlijks een vast bedrag wordt afgeschreven .
Afschrijvingsbedrag per / jaar = ( A – R ) / N
A = aanschafwaarde
( = aanschafprijs )
R = netto restwaarde
N = aantal gebruiksjaren
Gemiddelde kosten
Als je gemiddeldes moet berekenen deel je altijd door de afzet ( q )
Gemiddelde totale kosten ( GTK ): TK / q
Gemiddelde constante kosten ( GCK ): CK / q
Gemiddelde variabele kosten ( GVK ): VK / q
Alternatieve manier GTK :
-> GTK = GVK + GCK
Winst omzetten naar gemiddelde winst
De totale winst bereken je met :
Totale opbrengst ( pxq ) – Totale kosten ( VK + CK )
Afgekort : TW = TO – TK
De totale winst kan je ook gemiddeld berekenen :
Afgekort GW = GO - GTK
Soorten GVK
Progressief variabel : stijgen de gemiddelde variabele kosten
Degressief variabel : dalen de gemiddelde variabele kosten
Gemiddeld variabel : blijven de gemiddelde variabele kosten hetzelfde
Wat willen aanbieders weten ?
1. op welk punt zij break - even draaien
-> Punt waarbij TO = TK ( geen winst / verlies ) of GO = GTK
-> Kan jij uitrekenen zie vorige boekje
2. Op welk punt hun winst maximaal is
-> Punt waarbij MO = MK
-> ( winst zelf bereken je met TW = TO – TK )
1. Break - even point
Met de opbrengsten en kosten in kaart , kun je ook in een grafiek laten zien of er winst wordt gemaakt .
Als TO en TK aan elkaar gelijk zijn , wordt er geen winst gemaakt . Dit wordt break - even genoemd .
-> Let op GO = GTK is ook een break - even point
Marginale kosten
Wat kost het om e ́ e ́ n extra product te produceren ?
Daarvoor kijk je naar de marginale kosten .
Marginale kosten :
De toename van de totale kosten als gevolg van het produceren van e ́ e ́ n extra product .
-> Verandering TK / verandering Q
Marginale Opbrengsten
Wat levert het op om e ́ e ́ n extra product te verkopen ?
Daarvoor kijk je naar de marginale opbrengsten .
Marginale opbrengsten :
De toename van de omzet als gevolg van het verkopen van e ́ e ́ n extra product .
-> Verandering TO / verandering Q
Zolang MO > MK Totale winst neemt toe bij extra productie
Zodra MO = MK Geen extra winst meer bij extra productie
Zolang MO < MK Totale winst neemt af bij extra productie
Samenvatting
MW = MO – MK
-> Of : verandering TW / verandering Q
Als MO < MK dan zal de totale winst dalen
Als MO > MK dan zal de totale winst stijgen
Als MO = MK dan zal de totale winst niet stijgen / dalen
Conclusie als MO = MK dan is er maximale winst
Marginale analyse ( punt 2 )
1. op welk punt zij break - even draaien
-> Punt waarbij TO = TK ( geen winst / verlies ) of GO = GTK
2. Op welk punt hun winst maximaal is
-> Punt waarbij MO = MK
-> ( winst zelf bereken je met TW = TO – TK )
Maximale winst arceren
Stap 1 Neem snijpunt MO = MK
Stap 2 Bepaal welke hoeveelheid ( q )
hierbij hoort
Stap 3 Bepaal de prijs bij deze
hoeveelheid
Stap 4 Bepaal snijpunt met GTK
Stap 5 Teken de rechthoek en arceer de
oppervlakte
Externe en interne effecten
Bij elke vorm van productie is er sprake van externe effecten .
-> Een bijkomstig gevolg van productie of consumptie , dat niet door de veroorzaker wordt betaald .
-> Negatieve externe effecten kunnen leiden tot maatschappelijke kosten en zijn op te lossen door internaliseren .
Een bedrijf neemt negatieve externe effecten niet mee in de prijs , want een bedrijf kijkt alleen naar interne effecten ( kosten van loon en grondstoffen )
Voorbeeld extern effect
Voorbeeld milieuvervuiling :
- Positief extern effect : milieu maatregelen van een land zijn goed voor andere landen zonder dat de andere landen ervoor betalen , want het land wat ervan profiteert betaalt er niet voor .
- Negatief extern effect : uitstoot van fabrieken van een land zijn nadelig voor andere landen , want het vervuilende land betaalt er niet voor .
-> Zie meeliftgedrag
Maatschappelijk verantwoord ondernemen ( MVO )
milieu is MVO gekomen
Dit houdt in dat bedrijven streven naar winst ( profit ), maar houden daarbij steeds meer rekening met het effecten van de activiteiten op mens ( people ) en milieu ( planet )
MVO bestaat uit drie onderdelen :
People -> aandacht voor mensen binnen en buiten het bedrijf
Planet -> aandacht voor de gevolgen van productie voor het milieu
Profit -> aandacht voor hoe winst wordt behaald en wat ermee wordt gedaan
Heffing en subsidies
Er zijn nog meer manieren waarop de overheid ingrijpt in de markt :
1. Accijns ( belastingheffing ):
De overheid probeert de vraag naar ( ongezonde / milieuvervuilende ) producenten af te remmen door het duurder te maken .
2. Subsidie :
De overheid probeert de vraag naar bepaalde ( gezondere / milieuvriendelijke ) producten te stimuleren door financie ̈ le hulp te bieden .
Voorbeeld
Accijns op vliegtickets
Gevolgen door extra belasting op vliegtickets :
Aanbodlijn verschuift naar boven A naar A1
Evenwichtsprijs stijgt van pe naar p1
Hoeveelheid vliegtickets daalt van Qe naar Q1
Verschil tussen p1 en ps is het accijnsbedrag
Consumentensurplus daalt met OC + VC
Producentensurplus daalt met OA + VA
Accijnsopbrengst gaat naar de overheid OC + OA
Uiteindelijk daalt de som van alle surplussen
Eindwaarde van een vermogen
Eindwaarde :
Beginkapitaal + alle gevormde rente .
Bij de eindwaarde kijken we nu alleen naar samengestelde interest :
-> Wordt de rente berekend over het kapitaal zelf + de al gevormde rente .
Welk bedrag heb ik nu nodig voor later ?
Dit bereken je met de contante waarde :
Het bedrag dat op dit moment nodig is om in de toekomst een bepaald bedrag te hebben voor een betaling , waarbij rekening is gehouden met rente .
Risico en beleggen
Stel je hebt wat geld over dat je niet meteen wilt uitgeven .
Wat ga je doen ? Sparen of beleggen ?
Bij beleggen kan het rendement hoger zijn . Maar het risico is vaak ook hoger .
In principe is een belegger alleen bereid een hoger risico te nemen als daar een risicopremie tegenover staat .
Beleggen :
Het aantrekken van waardepapieren , eigendomsrechten en goederen met als doel deze te verkopen met financieel voordeel .
Twee standaard vormen van beleggen
Aandelen
Rendement op aandelen :
Koerswinst
Dividend ( winst )
Obligaties
Rendement op obligaties :
Koerswinst
Couponrente ( rente )
Als je een obligatie koopt , leen je eigenlijk geld uit aan de uitgever , meestal de overheid of een bedrijf . In ruil krijg je op regelmatige tijdstippen een rentevergoeding en je kan koerswinst behalen .
Investeren VS beleggen
Investeren is het aanschaffen van kapitaalgoederen door een onderneming om mee te produceren .
Beleggen is het aanbieden van geld op de vermogensmarkt met de bedoeling een ( toekomstige ) opbrengst te behalen
Inzoomen op een obligatie ( 1 )
Een obligatie is een verhandelbaar bewijs van deelneming in een geld lening aan bedrijven / overheid met een vast rentepercentage en looptijd .
Twee belangrijke begrippen :
Beurskoers : waarde waarvoor een obligatie wordt verhandeld op de beurs
Nominale waarde : de waarde die op de obligatie zelf staat
De beurskoers kan afwijken van de nominale waarde van een obligatie .
Reden :
Verschil tussen de rente die de obligatie vergoedt en de op het moment geldende marktrente .
Verhandelde obligaties gaan tegen de geldende marktrente , terwijl de ‘ originele ’ obligaties de oorspronkelijk rente hebben
Duurzaam beleggen
Groenfondsen zijn beleggingsfondsen die investeren in groene projecten . Denk aan het investeren in een windmolenpark of zonnepaneelproject .
De overheid probeert mensen te laten beleggen in Groenfondsen door belastingvoordeel te bieden .